Doneren 

Wil je Harry en Lisette steunen?

James Bisheko de oprichter van de NGO Help Her International vroeg of we de laatste twee weken met hem mee wilden gaan naar Tanzania. Hij werkt ook voor de stichting ADRA. James wilde ons projecten laten zien voor mensen met Albinisme.

We gaan met de bus van Dar es Salaam naar Morogoro. De busterminal is één groot mierennest. We worden ertussen geduwd, voor de terminal staan twee mensen met een rood shirt. Op het shirt staat de naam van de busmaatschappij. ‘Driehonderd’, zeggen ze in verbasterd Engels. Driehonderd? Even rekenen, dat is 75 euro? 75 euro om op een busterminal te komen?

De taxichauffeur die ons heeft gebracht en die al sloffend met ons is meegelopen, had al een voorgevoel, dat we een extra beetje hulp nu net even nodig hebben.

Verstappen

De taxirit van het hotel naar de Busterminal was een ware ‘Verstappenrit’. Kriskras manoeuvreerde hij met hoge snelheid door het verkeer, onderwijl toetert hij naar iedereen die hem dwars zit. Als hij toetert kijkt hij me aan en lacht. De lach komt echt over en af en toe verandert die lach razendsnel in een andere grimas en schreeuwt hij wat Swahilische woorden door het raam. Hij parkeert zijn taxi, vraagt het geld, stapt uit en loopt zonder wat te zeggen al sloffend met ons mee. 

Opvallend is zijn veel te grote terlenkabroek, de pijpen nemen het stof mee. Het blijft een grappig gezicht om de Afrikaanse mannen in veel te grote terlenkabroeken te zien en het gekke is, het staat ze ook nog.

Rode shirts

De taxichauffeur begreep ons getreuzel van die driehonderd. Hij haalt 2 muntjes uit zijn zak en geeft die aan de rode shirts, we krijgen twee briefjes en als we binnen de busterminal zijn geven we de twee briefjes aan een ander rood shirt, die er een scheurtje in maakt. We worden het gekrioel ingeduwd. Nu nog een kaartje voor de bus naar Morogoro? Hoe komen we nu aan kaartje? We krijgen allebei een duw, kijken om en de man wijst naar een rood shirt. We zien een hand vol met witte papiertjes en daaronder een dikke stapel briefgeld. De briefjes van 10.000 shilling (4 euro) gaan vliegensvlug door zijn hand. De mensen die om hem heen staan lijken wel op een zwerm bijen. Ik geef hem drie briefjes van 10.000 en krijg twee witte papiertjes. We kijken erop en worden er geen wijs uit. 

Een rood shirt komt naar ons toe en zegt bus 2. Oké bus 2 is that this bus? No, the second one.

We kijken naar het schouwspel voor ons. Mensen dringen en duwen elkaar de bus in. Het gaat gepaard met veel kabaal. Vol is vol, de bus rijdt achteruit en een stroom verkopers komt op gang, die hun koopwaar hoog boven hun hoofd houden, zodat de uithangende armen het kunnen pakken en afrekenen.

Na een tijdje komt bus 2 , onze bus, eraan en hetzelfde tafereel ontstaat weer. Iemand met een rood shirt wenkt naar ons dat we moeten instappen en houdt zijn hand op voor zijn service. We rijden weg en de buschauffeur zegt een paar zinnen in het Swahilisch.

Mijn buurman klikt zijn veiligheidsgordels vast en kijkt me aan en verklaart de zinnen Swahili in het Engels:

‘You have to fasten your seatbelts in case the police come in and they treat you like an individual and the driver also said, don’t trust the person next to you.’

Hij lacht en kijkt naar Lies en draait zich om naar het kleine meisje wat naast hem zit.
‘Lucky’

Een levensveranderend moment

De volgende dag staan we om 8 uur gereed om met Denis, social worker van de stichting Adra, mee te gaan naar een dorp waar mensen wonen met albinisme. We weten niet wat ons te wachten staat, Echt veel weten we niet van albino’s. Google helpt om er wat meer van te weten te komen. Google het zelf maar, echt vrolijk word je er niet van.

8 uur wordt half negen, vragen daarover stellen doen we allang niet meer. We nemen buiten het hotel plaats aan de tafel. Aan de tafel zit een goed uitziende dame, gekleed in een donkerrode jurk. We geven Denis een hand. Hij stelt de dame aan ons voor. Ze heet Donatila Kidada van de Tanzania albinisme society. Ze is ook een social worker. Ze lacht schuchter naar ons. We stappen in een 7-persoons Toyota jeep. De deuken verraden dat hij al een tijdje meegaat. Het is gek, en ik weet niet hoe die Japanners het hebben gedaan, maar bijna iedereen, zowel in Uganda als in Tanzania, rijdt in een Toyota.

We gaan op huisbezoek bij het project voor mensen met albinisme. Het is een geweldige rit van meer dan honderd kilometer. Links en rechts van de weg zien we kleine dorpjes met lemen hutjes. Veel jonge kinderen lopen in het shirt van F.C. Simba, de voetbalclub.

De bergen van de Ulugulu Mountains steken prachtig af tegen de weerkaatsende koperen ploert.

Onderweg zijn er veel politiecontroles. We verbazen ons erover en vragen ons af waar ze zich mee bemoeien. De andere inzittenden verblikken of verblozen niet bij elke aanhouding. Later blijkt dat de politie gewoon vraagt waar we naartoe gaan en ze kijken in de auto of er Somalische mensen in zitten, want dan vragen ze naar hun paspoort.

We stoppen weer? Nu geen politiecontrole. Er komt een dame aangelopen. Mooi gekleed in lange donkerbruine jurk met rode vlakjes. Haar getinte huid en een de prachtige lichtbruine hoofddoek maken het helemaal af. Ze heet Emmy Hussein en ze is van het Mvomero District Social welfare. Ook zij is een social worker.

Lies en ik zitten achterin. Het is een grappig gezicht. De chauffeur in een rood FC Simba-shirt, naast hem Donatalia met dreadlocks. Op de achterbank Denis met een grijs t-shirt met op de rug ‘Empowerment for people living with Albinism.’ En helemaal achterin de twee ongelovige Mzungus.

Tijdens deze lange rit raak in gesprek met Denis Robert van de stichting ADRA. Het begint met wat social talk. Hij vertelt dat hij getrouwd is en twee kleine kinderen heeft. Hij is trots op zijn kinderen en zijn vrouw, maar vooral trots op zijn moeder. Ik vraag wat door en hij vertelt het volgende verhaal:

‘De belangrijkste persoon is mijn moeder, zij is de reden waarom ik hier vandaag ben, ze heeft twee keer een hersenbloeding gehad en ze geeft nooit op, nog steeds gelovend dat God het kan goed maken, dat ze weer kan lopen. Ze ligt nu 6 jaar op bed en kan niet lopen, maar nog steeds heeft ze de hoop.

Wat verder een levensveranderend moment voor me was dat de MV Ukura Boot kapseisde in 2018 van het Victoriameer en daarbij kwamen meer dan 100 mensen om. Ik werd daar naartoe gestuurd om een snelle behoefteanalyse te maken. Ik zag meer dan honderd doden mensen die bij elkaar lagen. Ik viel flauw en werd even later pas weer wakker. Het veranderde echt het perspectief en de manier waarop ik dingen bekijk wanneer we humanitaire hulp verlenen. Het advies dat ik de mensen over het leven kan geven, is dat iedereen iemand kan worden, afhankelijk van de levensomstandigheden, dus we moeten nederig zijn en iedereen respecteren. In het lied van Jesus Paid it all komt dat allemaal terug’.

Het asfalt stopt en we komen aan in het dorpje Turriani. We stappen uit en zien voor ons meerdere vrouwen die al zittend de stenen aan het klein slaan zijn. Voor hoopjes kleine stenen krijgen ze 1 dollar. Het ‘niet weten’ waar we terecht komen en wat de ontmoeting met de mensen met albinisme teweegbrengt lezen jullie in de volgende editie.

About the author 

HarryGras

{"email":"Email address invalid","url":"Website address invalid","required":"Required field missing"}
>